Koppelkansen: Lessen uit co-creatie sessie Haven-Stad

“Onbewust onbekwaam –> bewust onbekwaam –> bewust bekwaam”

Dit is de ontwikkeling die we willen doormaken als het gaat over de integrale aanpak van stedelijke duurzaamheids-opgaven zoals klimaatverandering, circulariteit en de energietransitie. In feite zitten we midden in dit proces; we zijn ons steeds meer bewust van onze onbekwaamheid wat betreft een integrale aanpak. Deze transities zijn op zichzelf al complexe vraagstukken, laat staan wanneer in toenemende mate blijkt dat die transities ook nog sterk onderling verbonden zijn. De stap van “bewust onbekwaam” naar “bewust bekwaam” zal dus naar alle waarschijnlijkheid niet zo eenvoudig zijn als dit schema doet vermoeden. Tegelijkertijd liggen er ook veel kansen en mogelijkheden in de verbondenheid van opgaven. Dat is waar het Co-creatie Traject Koppelkansen op inzet: de koppeling van infrastructuren om synergie te creëren tussen sectoren (water, energie, afval, data) die van oudsher apart zijn georganiseerd.

Om een stapje verder te komen met het identificeren en vormgeven van deze kansen, bogen deelnemers aan de tweede co-creatie sessie zich over de casus Haven-Stad. In tegenstelling tot de casus Amstelstad (vorige co-creatie sessie) bevindt de transformatie naar woon-werk gebied in Haven-Stad zich nog in een beginstadium. De planningshorizon van 20-30 jaar biedt kansen voor infrastructurele ontwikkeling. Echter, de gefaseerde ontwikkeling (deel vóór en deel ná 2029) door de uitgave van deelgebieden in erfpacht (tot 2029), zorgt ook voor unieke uitdagingen. Het gebied bevat een aantal grote agglomeraties van eigenaarschap, maar er zijn ook deelgebieden met meerdere ontwikkelaars.

In de co-creatie sessie stonden twee centrale vragen op het programma: 1) Hoe gaan we om met verschillen in fasering? En 2) Hoe kunnen we stakeholder-participatie het beste vormgeven? De sessie leverde de volgende inzichten en (werk)principes voor het co-creatie traject op:

1. Transitie-opgaven aan functiefasering koppelen

Een strategie t.a.v. gebiedsontwikkeling dient rekening te houden met verschillende type faseringen. Allereerst, de transitie-opgaven. Deze hebben een ieder een eigen fasering en dynamiek. Zo is bij de energietransitie het einddoel duidelijk (95% minder CO2 in 2050) en zijn ook de middelen vrij goed in beeld (een mix van duurzame energiebronnen). Bij klimaatverandering daarentegen is het eindbeeld niet duidelijk (wordt elke 7 jaar bijgesteld), en bij circulariteit is er dan weer meer onduidelijkheid over de middelen (nieuwe sanitatie?). Ten tweede is er sprake van een fasering in de ontwikkeling van functies in een gebied. Voor Havenstad zijn er drie opties geïdentificeerd wat betref functie-fasering: 1) “Nu niets doen, wel plan maken voor na 2029”, 2) “Nu transformatie naar werken, en plan maken voor wonen”, en 3) “Nu niets doen/beperkt, later ruimtelijk ontwerp wijzigen voor wonen + adaptief reageren op ontwikkelingen”. Elk van deze opties vraag om een andere ontwikkelstrategie ten aanzien van de transitie-opgaven. Door transitie-opgaven aan functie-fasering te koppelen ontstaat er een veld van “ontwikkelstrategieën voor integrale ontwerpen, beelden en realisatie”. Buiten functie-fasering en de fasering van transitie-opgaven is er nog een derde type fasering van belang: de asset-fasering. Naast het feit dat de asset-fasering verschilt per asset, speelt hier ook nog een “schaaldiscussie”. Zo zijn er bijvoorbeeld minimaal 1.500 woningen nodig voor eigen afvalwaterbehandeling. Fasering is dus vaak niet (geheel) los te koppelen van ruimtelijke overwegingen.

2. Waarde toekennen aan immateriële waarden

Met het oog op meervoudige waardecreatie is het belangrijk om, naast economische waarde, ook financiële waarde toe te kennen aan immateriële waarden zoals leefbaarheid, duurzaamheid en kwaliteit van openbare ruimte. Dit is mogelijk, zo is het idee, aan de hand van een nieuw te ontwikkelen marktmodel op basis van Total Cost of Ownership (TCO), waarbij het totaalbedrag aan kosten voor het bezit van een product of het gebruik van een dienst gedurende de levens- of gebruikscyclus het uitgangspunt vormt. Een dergelijk model verrekent dus niet alleen “waardevermeerdering” en “waardevermindering”, maar ook “toekomstige kosten” voor beheer en onderhoud. Om dit te realiseren dienen stakeholders een “lokale economische werkelijkheid” te creëren waarin afspraken worden gemaakt over hetgeen positieve en negatieve waarde vertegenwoordigt: wat is wenselijk, en wat juist niet? Deze gezamenlijke waarden worden vervolgens “ingeprijsd”, zodat het gaat “lonen” om immateriële waarden mee te nemen in de ontwikkeling van gebouwen, straten en wijken. Bovendien wordt het belangenspel op deze manier makkelijker, zo is de gedachte, omdat het “gedeelde belang” dan ook echt “gedeeld gevoeld” wordt – namelijk in de portemonnee. Voor het bedenken van “nieuwe financiële constructies” kan er gebruik worden gemaakt van “deskundigen die met een Excel-sheet overweg kunnen” en van kengetallen uit de MKBA-systematiek. Ook bewoners (of representanten daarvan) kunnen bijdragen door de waarde van immateriële waarden vast te stellen. Dit alles vergroot de kans om “raak te schieten”. En, het gaat dan wel over geld, maar niet “in de banale zin”, zo luidt het oordeel; het gaat over nieuwe verdienmodellen die ervoor zorgen ervoor dat stakeholders (i.p.v. wachten tot de overheid maatregelen neemt) “uit zichzelf andere dingen gaan doen”. Deels gebeurt dit al; zaken als comfort en luchtkwaliteit vertegenwoordigen al een zekere financiële waarde voor ontwikkelaars. Dit kan mogelijk als “springplank” dienen om tot een nieuw marktmodel te komen. De gemeente is volgens de deelnemers wel de aangewezen partij om de “gezamenlijke pot” te beheren, en om iedereen “een ‘tikkie’ [te] sturen” voor de grondexploitatie. Een niet onaanzienlijk risico van dit alles is dat de extra waarde(n) de worden gegenereerd, worden afgewenteld op de bewoner, bijv. in de vorm van verhoogde prijzen voor koop- en huurwoningen. Men dient zich af te vragen of en in hoeverre dit wenselijk is, en hoe dit kan worden tegengegaan.

3. Flexibiliteit creëren, zowel onder als boven de grond

Ontwikkelingen in transities, functies en voorkeuren van bewoners zijn vaak moeilijk voorspelbaar. Dit zorgt voor onzekerheden in het ontwerp van infrastructuren. De vraag is daarom: hoe kun je infrastructuren zo ontwerpen dat ze kunnen “omgaan met onzekerheden” en “het feit dat dingen blijven veranderen” in de toekomst? Vanuit de portemonnee wil je immers “de juiste investeringen doen” en “desinvesteringen voor de lange termijn voorkomen”. Hetzelfde geldt voor het “hap-snap” karakter van gebiedsontwikkeling. De ervaring is dat de werkelijkheid van gebiedsontwikkeling zich vaak niet houdt aan infrastructurele plannen. Om dit te kunnen “handelen” dienen systemen “flexibel”, “adaptief” en “robuust” ingericht te worden. Flexibiliteit kan echter ook “suboptimale systemen” tot gevolg hebben. Daar is waarschijnlijk niet iedere partij even blij mee. Een mogelijke oplossing voor dit probleem is om (ook) aan flexibiliteit een bepaalde financiële waarde toe te kennen. Immers, “door ondergronds zaken goed te regelen, creëer je [ook] bovengronds flexibiliteit”. Dat vertegenwoordigt een bepaalde waarde, die momenteel niet of niet voldoende “in euro’s” (of anderszins) wordt uitgedrukt.

4. Strategisch aanhaken bij de ambities en prioriteiten van stakeholders

Medewerking en commitment van stakeholders in innovatieprojecten is van groot belang. Er zijn verschillende manieren om dit te bevorderen. Zo kan deelname aan innovatieprojecten stakeholders helpen om “maatschappelijke meerwaarde te creëren” en hun “imago [te] verbeteren”. Koppelkansen helpt stakeholders in Haven-Stad bijvoorbeeld om het gebied “op de kaart [te] zetten” als een aantrekkelijk woon- en werkgebied. Waar de haven nu nog met “rug naar de stad” staat, kan er een meer “vloeiende overgang” tussen stad en haven ontstaan door goed na te denken over zaken als mobiliteitsverbindingen en “knuffelbare functies”. Daarnaast zijn stakeholders ook gebaat bij een duidelijk “handelingsperspectief” en een bepaalde mate van concreetheid. Koppelkansen zou hieraan kunnen bijdragen door bijvoorbeeld concrete straatprofielen te schetsen en/of “stukjes repertoire/product die je daar [zo] in kunt schuiven”. Tegelijkertijd is het belangrijk om niet blindelings bij de prioriteiten en ambities van stakeholders aan te haken, maar om dit strategisch aan te pakken. Zo is er vooral binnen grote organisaties sprake van “veelkoppigheid” en verschillende “belevingen”. Vaak is er “een deel [dat] wil vernieuwen, en een deel [dat] wil in-stand-houden”. Het is belangrijk deze structuren zorgvuldig te benaderen. Dit geldt ook voor het spanningsveld tussen ‘het concrete’ en ‘het abstracte’. Waar stakeholders vaak concrete resultaten willen zien, is bij innovatieprojecten juist ook veel “verbeeldingskracht” gewenst. Het is daarom zaak het co-creatie proces zo te organiseren dat de kracht van de verbeelding en de focus op concrete resultaten elkaar niet tegenwerken, maar juist versterken.

Tot zover. Volgende keer: De 9 Straatjes!

Joeri Naus
Onderzoeker in Co-creatie Traject Circulaire Gebiedsontwikkeling
Centre for Urban Studies | Universiteit van Amsterdam